Een ander geldstelsel begint met begrijpen

Geld hoeft geen schuld te zijn.

BeterGeld laat zien hoe ons geld ontstaat, waarom het huidige stelsel vastloopt en hoe geld weer een veilige publieke voorziening kan worden.

↗ Open het boek↓ Download het gratis boek als PDF

Geld is een publieke voorziening.
Krediet is een private activiteit met privaat risico.
01

BeterGeld

Hoe ons geld wordt gemaakt

Van een banklening tot het geld op uw rekening.

Geld lijkt vanzelfsprekend — maar dat is het niet

Waar komt geld eigenlijk vandaan? Veel mensen denken dat de centrale bank het geld maakt. Maar hoe dat geld vervolgens in omloop komt, weet bijna niemand. In werkelijkheid ontstaat al het girale geld dat wij dagelijks gebruiken wanneer commerciële banken krediet verlenen.

Veel mensen denken dat banken geld uitlenen dat andere klanten eerst hebben gespaard. Dat klinkt logisch: de één brengt geld naar de bank en de bank leent dat vervolgens uit aan een ander.

Maar zo werkt ons moderne geldstelsel niet.

Al het girale geld ontstaat wanneer commerciële banken krediet verstrekken. Dat is het geld dat wij als cijfers op onze bankrekening zien en waarmee we vrijwel al onze betalingen doen.

Om te begrijpen hoe dat werkt, beginnen we met een eenvoudig gedachte-experiment.

Stel dat er nog geen geld bestaat

Denk aan een kleine samenleving waarin nog geen geld wordt gebruikt. Mensen ruilen rechtstreeks met elkaar. Een bakker ruilt brood tegen melk, een timmerman repareert een deur in ruil voor aardappelen.

Dat werkt zolang iedereen precies kan vinden wat hij nodig heeft. Maar ruilhandel is onhandig. De bakker moet maar net melk nodig hebben op het moment dat de melkveehouder brood wil.

Daarom besluit de samenleving geld te gebruiken. Geld wordt de gemeenschappelijke tussenstap. De bakker verkoopt brood voor geld en kan dat geld later gebruiken om melk, kleding of gereedschap te kopen.

Maar dan ontstaat een nieuwe vraag:

Wie brengt het eerste geld in omloop?

In ons huidige geldstelsel gebeurt dat wanneer iemand een lening afsluit bij een commerciële bank.

Een lening van honderd euro

Stel dat persoon A honderd euro leent bij een bank.

De bank hoeft daarvoor niet eerst ergens een bestaand stapeltje bankbiljetten van honderd euro vandaan te halen. Zij verwerkt twee bedragen in haar administratie:

  • de bank krijgt een vordering van honderd euro op persoon A;
  • persoon A krijgt een tegoed van honderd euro op zijn bankrekening.

Op het scherm van persoon A staat nu €100. Hij kan dat geld overmaken, ermee betalen of het opnemen.

Er is daarmee nieuw giraal geld ontstaan.

Tegelijkertijd is er ook een schuld ontstaan. Het nieuwe geld en de nieuwe schuld zijn twee kanten van dezelfde boeking. Persoon A bezit een banktegoed van honderd euro, maar moet honderd euro aan de bank terugbetalen.

De bank heeft dus geen honderd euro cadeau gedaan. Zij heeft geld gecreëerd én daar een terugbetalingsverplichting tegenover gezet.

Geld ontstaat met schuld

Dit is het belangrijkste kenmerk van het huidige stelsel:

Wanneer een commerciële bank krediet verstrekt, ontstaan tegelijkertijd nieuw giraal geld en nieuwe schuld.

Dat betekent niet dat banken onbeperkt leningen kunnen verstrekken. Een bank moet rekening houden met toezicht, kapitaaleisen, liquiditeit, risico’s en de vraag of een klant de lening kan terugbetalen.

Maar binnen die grenzen creëren banken door kredietverlening ons girale geld.

Dat gebeurt bijvoorbeeld bij:

  • hypotheken;
  • bedrijfsleningen;
  • persoonlijke leningen;
  • krediet voor de aankoop van vastgoed;
  • financiering van beleggingen en andere bezittingen.

Wanneer veel nieuwe leningen worden verstrekt, groeit de hoeveelheid giraal geld. Wanneer er meer wordt afgelost dan nieuw wordt uitgeleend, neemt de hoeveelheid giraal geld af.

Onze maatschappelijke geldhoeveelheid is daardoor afhankelijk van de bereidheid van banken om krediet te verstrekken en de bereidheid van burgers en bedrijven om schulden aan te gaan.

Wat gebeurt er bij aflossing?

Stel dat persoon A later de geleende honderd euro terugbetaalt.

De bank vermindert dan het tegoed waarmee A betaalt en schrijft tegelijkertijd de schuld af. De honderd euro die bij het verstrekken van de lening ontstond, verdwijnt bij de aflossing weer uit de girale geldhoeveelheid.

De hoofdsom van de lening wordt dus niet simpelweg in een kluis gelegd. Boekhoudkundig worden het geld en de bijbehorende schuld tegen elkaar weggestreept.

Daarmee ontstaat een kringloop:

  • bij kredietverlening ontstaat giraal geld;
  • tijdens de looptijd circuleert dat geld in de samenleving;
  • bij aflossing verdwijnt het gecreëerde geld weer.

Geldschepping en geldvernietiging vinden dus iedere dag plaats in de administraties van commerciële banken.

En de rente dan?

De bank vraagt voor de lening niet alleen de honderd euro terug, maar ook rente.

Bij een rente van drie procent moet persoon A na verloop van tijd in totaal €103 betalen: honderd euro aflossing en drie euro rente.

De honderd euro hoofdsom wordt bij aflossing vernietigd. De drie euro rente is anders. Die wordt inkomen van de bank.

Dat geld kan opnieuw in de samenleving terechtkomen wanneer de bank bijvoorbeeld salarissen, leveranciers, belastingen of andere kosten betaalt. Hetzelfde geld kan daardoor meerdere keren worden gebruikt om verplichtingen te voldoen.

Maar rente vormt wel een voortdurende geldstroom van schuldenaren naar banken en andere bezitters van financiële vorderingen. Hoe groter de totale schuldenberg, hoe belangrijker die geldstroom voor de economie wordt.

De gevolgen daarvan bespreken we in het volgende essay. Voor nu is vooral van belang dat al het girale geld als schuld ontstaat en dat over die schuld rente moet worden betaald.

Giraal geld is een vordering op een bank

Het geld op een bankrekening is juridisch niet van de rekeninghouder, maar van de bank. De rekeninghouder heeft een vordering op de bank: een belofte dat de bank het tegoed op verzoek zal uitbetalen of overboeken.

De bank belooft dat u het tegoed kunt gebruiken voor betalingen of kunt omzetten in contant geld.

Omdat vrijwel iedereen een bankrekening nodig heeft, zijn private banktegoeden ons dagelijkse betaalmiddel geworden. Daarom worden banken streng gecontroleerd en bestaan er voorzieningen zoals het depositogarantiestelsel, liquiditeitssteun en regels voor banken die in problemen komen.

Dat vangnet is nodig omdat twee verschillende activiteiten met elkaar zijn verweven:

1. het bewaren en gebruiken van ons dagelijkse geld; 2. het commerciële bedrijf van kredietverlening en risicobeoordeling.

Als een bank grote verliezen lijdt met haar commerciële activiteiten, kan dat uiteindelijk ook het vertrouwen in onze banktegoeden en het betalingsverkeer raken.

Wie bepaalt waar nieuw geld terechtkomt?

Omdat iedere nieuwe banklening nieuw giraal geld creëert, bepalen banken waar nieuwe koopkracht als eerste in de economie verschijnt.

Een lening kan worden gebruikt voor een nieuwe fabriek, een woning, een bedrijfsovername of een belegging. De eerste bestemming van nieuw geld wordt daardoor bepaald door de vraag waar banken voldoende rendement verwachten en waar zij genoeg zekerheid of onderpand zien.

Dat hoeft niet dezelfde bestemming te zijn als wat voor de samenleving het nuttigst is.

Een bank beoordeelt begrijpelijkerwijs vooral of een lening voldoende rendement oplevert en waarschijnlijk wordt terugbetaald. Zij hoeft niet te beoordelen of de activiteit voor de samenleving de meeste waarde heeft. Daardoor bepalen commerciële belangen waar nieuw geld als eerste aan wordt besteed, en niet de democratie.

Een door mensen ontworpen stelsel

Artikel 106 van onze Grondwet zegt: ‘De wet regelt het geldstelsel.’ Dat wekt de verwachting dat de inrichting van ons geldstelsel onder democratische zeggenschap staat. In de praktijk bepalen commerciële banken echter hoeveel giraal geld wordt geschapen, aan wie dat geld als eerste beschikbaar komt en waarvoor het wordt gebruikt. De wet stelt wel grenzen aan banken, maar de belangrijkste macht binnen het geldstelsel — het creëren van ons dagelijkse geld — is niet in handen van de democratie. Daardoor heeft de samenleving bij de geldschepping grotendeels het nakijken.

We hebben ervoor gekozen om commerciële banktegoeden als algemeen betaalgeld te gebruiken. We hebben daarmee ook gekozen voor een stelsel waarin al het girale geld door kredietverlening ontstaat.

Dat systeem heeft economische ontwikkeling, woningbouw en ondernemerschap mogelijk gemaakt. Krediet kan mensen en bedrijven in staat stellen vandaag iets op te bouwen dat pas later opbrengsten oplevert.

Maar dezelfde inrichting heeft ook gevolgen.

Als al het girale geld samen met nieuwe schuld ontstaat, raakt de economie afhankelijk van kredietverlening. En als ons dagelijkse geld een verplichting van commerciële banken is, kunnen de risico’s van banken doorwerken in de rest van de samenleving.

Daarmee komen we bij de volgende vraag:

Wat gebeurt er wanneer steeds meer geld, schuld, rente en financiële bezittingen zich op elkaar stapelen?

Wat daarvan de gevolgen zijn, wordt besproken onder de knop ‘Waarom ons geldstelsel vastloopt’.

← Terug naar de vier onderwerpen
02

BeterGeld

Waarom ons geldstelsel vastloopt

Hoe schuld, rente en geldschepping elkaar blijven versterken.

Geld ontstaat niet zonder verplichtingen

In het vorige essay zagen we dat al het girale geld ontstaat wanneer een commerciële bank krediet verstrekt. Tegenover iedere nieuwe euro staat daarom vanaf het eerste moment een schuld.

Over die schuld moet rente worden betaald. De samenleving ontvangt dus geen nieuw geld zonder verplichtingen. Zij ontvangt geld dat later moet worden terugbetaald, vermeerderd met rente.

Zolang er voldoende inkomen is en het geleende geld productief wordt gebruikt, lijkt dat geen probleem. Een ondernemer kan met een lening een bedrijf beginnen, daarmee inkomen verdienen en de lening terugbetalen.

Maar voor de samenleving als geheel ligt het ingewikkelder. Alle geldgebruikers samen moeten niet alleen de geleende hoofdsommen terugbetalen, maar ook de rente die banken en andere financiële instellingen in rekening brengen.

Daardoor ontstaat een voortdurende geldstroom van de samenleving naar de financiële sector.

Honderd euro geld, maar honderdendrie euro terugbetalen

We keren terug naar persoon A. Hij leent €100 bij de bank tegen drie procent rente. Door die lening ontstaat €100 giraal geld.

Na een jaar moet A €103 aan de bank betalen. Maar door zijn lening is slechts €100 in omloop gebracht. De drie euro voor de rente is niet tegelijk met zijn lening gecreëerd.

A kan die drie euro verdienen van iemand anders. Daarom voegen we persoon B aan het voorbeeld toe. Ook B heeft €100 geleend. Samen hebben A en B nu €200 aan geld en €200 aan schuld.

A verricht werk voor B en ontvangt daarvoor drie euro. A heeft nu €103 en kan zijn schuld plus rente volledig aan de bank betalen.

Bij de aflossing wordt de hoofdsom van €100 vernietigd. De drie euro rente wordt inkomen van de bank. A is van zijn schuld af, maar B heeft nog maar €97 op zijn rekening en nog steeds een schuld van €100.

Nadat persoon A zijn lening heeft afgelost, heeft persoon B nog €97, terwijl hij nog steeds een schuld van €100 heeft. Daarover moet hij bovendien €3 rente betalen. De bank heeft inmiddels €3 ontvangen zonder daar zelf rente over verschuldigd te zijn. Voor persoon B is de situatie daardoor zwaarder geworden: met de resterende €97 moet uiteindelijk €103 worden betaald. De rentelast bedraagt daardoor niet langer 3% van het geld dat nog in omloop is, maar ruim 3,09%. Om alle verplichtingen te kunnen nakomen, moet er dus meer nieuw geld worden bijgeleend dan wanneer alleen persoon A een lening had gehad. Zo groeit de afhankelijkheid van nieuwe schulden telkens verder.

Het geld verdwijnt niet altijd, maar verandert van eigenaar

De bank kan de ontvangen rente opnieuw uitgeven. Zij betaalt bijvoorbeeld personeel, gebouwen, leveranciers, aandeelhouders of belastingen. Daardoor kan het geld terugkeren in de samenleving.

Maar het geld kan ook binnen de financiële wereld blijven. De bank of de ontvanger van de rentebetaling kan het gebruiken om financiële bezittingen te kopen of opnieuw tegen rente uit te lenen.

Het probleem is daarom niet alleen dat er rente moet worden betaald. Het probleem is ook waar de rente terechtkomt en wat er daarna met dat geld gebeurt.

Voor een huishouden of onderneming is rente een kostenpost. Voor de bezitter van een lening of andere financiële vordering is dezelfde rente inkomen.

Zoals we eerder zagen, moeten mensen en bedrijven steeds meer nieuwe schulden aangaan om hun bestaande schulden en rentelasten te kunnen betalen. De financiële sector profiteert van iedere nieuwe lening en iedere nieuwe rentebetaling, zonder dat zij daar zelf nuttige arbeid of de productie van maatschappelijk noodzakelijke goederen tegenover hoeft te stellen. Er vloeit een steeds groter deel van het geld uit de samenleving naar de financiële sector.

De groeiende rentelast werkt door in de hele economie. Ondernemers verwerken de rente over hun leningen in de prijzen van hun producten en diensten. Huishoudens hebben een hoger inkomen nodig om naast hun gewone uitgaven ook hun rente te kunnen betalen. Ook de overheid betaalt rente over haar schulden. Naarmate die rentelasten toenemen, is er meer belastinggeld nodig en stijgt de belastingdruk. Zo betalen mensen de rente niet alleen over hun eigen schulden, maar ook via hogere prijzen en belastingen. De kosten van levensonderhoud worden daardoor steeds verder opgedreven.

Geld maakt steeds gemakkelijker nieuw geld

Wie veel geld en financiële bezittingen heeft, kan gemakkelijker nieuw krediet krijgen. Vermogen kan als onderpand dienen en geeft een bank meer zekerheid dat een lening wordt terugbetaald.

Daardoor kan iemand die al vermogen bezit goedkoop geld lenen en dat geld gebruiken om bezittingen te kopen die meer opleveren dan de rente op de lening kost.

Met geleend geld kunnen bijvoorbeeld aandelen, woningen, bedrijfspanden of andere beleggingen worden gekocht.

Iedere nieuwe lening brengt nieuw geld in omloop. Wanneer daar geen voor de samenleving nuttige productie tegenover staat, neemt de hoeveelheid geld toe zonder dat de hoeveelheid beschikbare goederen en diensten meegroeit. De waarde van het geld daalt dan en de prijzen stijgen. De bezittingen zelf zijn niet méér waard geworden voor de samenleving, maar door de toegenomen hoeveelheid geld wordt er toch een hogere prijs voor betaald.

Zo ontstaat een zichzelf versterkende kringloop:

meer vermogen → gemakkelijker lenen → meer bezittingen kopen → hogere prijzen → meer onderpand → opnieuw meer lenen

Nieuw geld wordt hierdoor steeds vaker gebruikt om bestaande bezittingen te kopen, in plaats van om nieuwe, voor de samenleving nuttige goederen en diensten voort te brengen. Vooral mensen die al over veel geld en bezittingen beschikken, kunnen hiervan profiteren. Zij kunnen gemakkelijker en tegen gunstigere voorwaarden lenen, daarmee nog meer bezittingen kopen en voordeel behalen uit de stijgende prijzen. Zo helpt het geldstelsel vooral degenen vooruit die al vermogend zijn.

De financiële economie groeit sneller dan de echte economie

De echte economie bestaat uit het werk waarmee goederen en diensten worden voortgebracht. Mensen bouwen woningen, verbouwen voedsel, verzorgen patiënten, vervoeren producten, geven onderwijs en onderhouden infrastructuur.

De financiële economie bestaat uit leningen, aandelen, obligaties, financiële constructies en handel in bestaande bezittingen. Een financiële sector is nuttig wanneer zij spaargeld naar productieve investeringen leidt en risico’s helpt verdelen.

Maar wanneer steeds meer krediet wordt gebruikt om bestaande financiële bezittingen en vastgoed te kopen, groeit de financiële economie zonder dat de werkelijke productie in hetzelfde tempo toeneemt.

Een bestaande woning die twee keer zo duur wordt, biedt niet plotseling twee keer zoveel woonruimte. Een aandeel dat sterk in prijs stijgt, betekent niet automatisch dat het bedrijf twee keer zoveel producten maakt.

Op papier is er meer vermogen ontstaan, maar de samenleving beschikt niet noodzakelijk over meer woningen, voedsel, energie, zorg of andere nuttige voorzieningen.

De financiële sector kan zo steeds grotere winsten maken met activiteiten die weinig of niets toevoegen aan wat de samenleving werkelijk kan gebruiken.

Stijgende prijzen maken de ongelijkheid groter

Wanneer veel nieuw krediet naar woningen, grond en aandelen stroomt, stijgen de prijzen van die bezittingen.

Mensen die deze bezittingen al hebben, zien hun vermogen groeien. Daardoor kunnen zij gemakkelijker opnieuw lenen en nog meer bezittingen kopen.

Mensen zonder woning, aandelen of ander vermogen profiteren niet van die prijsstijging. Zij moeten juist steeds meer lenen om nog toegang te krijgen tot dezelfde woning of hetzelfde bezit.

Een hogere woningprijs maakt de woning zelf niet beter. Zij zorgt er vooral voor dat een volgende koper een grotere schuld moet aangaan en gedurende langere tijd rente moet betalen.

Zo vergroot het geldstelsel het verschil tussen mensen die rente en vermogenswinsten ontvangen en mensen die rente moeten betalen.

Vermogen trekt nieuw vermogen aan. Schuld trekt nieuwe rentelasten aan.

De economie raakt afhankelijk van steeds meer schuld

Wanneer een lening wordt afgelost, verdwijnt het geld dat bij het afsluiten van die lening is ontstaan weer uit omloop. Op zichzelf hoeft een kleinere geldhoeveelheid geen probleem te zijn: als er minder geld beschikbaar is voor dezelfde hoeveelheid goederen en diensten, kunnen de prijzen dalen. De openstaande schulden en de daarover verschuldigde rente dalen echter niet mee. Daardoor wordt de rentelast ten opzichte van de resterende geldhoeveelheid steeds zwaarder. Binnen het huidige stelsel is het daarom belangrijk dat de geldhoeveelheid niet krimpt, maar blijft toenemen. De bestaande schulden en rentelasten worden dan relatief kleiner en blijven zo beter betaalbaar.

Het stelsel heeft daardoor een ingebouwde behoefte aan nieuwe kredietverlening. Zonder nieuwe schulden ontstaat er geen nieuw giraal geld.

Wanneer huishoudens, bedrijven en overheden voorzichtig worden en minder willen lenen, neemt de groei van de geldhoeveelheid af. Daardoor wordt er minder besteed en kunnen de prijzen en inkomens dalen. De bestaande schulden en rentelasten dalen echter niet mee en worden daardoor relatief zwaarder. Dat maakt mensen en bedrijven nog terughoudender om nieuwe schulden aan te gaan. Zo kan een neerwaartse spiraal ontstaan van minder krediet, minder geld, minder bestedingen en een steeds zwaardere schuldenlast. Uiteindelijk kan dit leiden tot faillissementen en economische krimp.

Centrale banken en overheden proberen de kredietverlening dan opnieuw op gang te brengen. De rente wordt verlaagd, banken krijgen extra ruimte en lenen wordt aantrekkelijker gemaakt.

Daarmee wordt de directe crisis bestreden, maar de onderliggende afhankelijkheid van schuld neemt verder toe.

Het medicijn tegen een probleem dat door te veel schuld is ontstaan, wordt dan opnieuw méér schuld!

De rente kan het probleem niet meer oplossen

De rente is het belangrijkste middel waarmee centrale banken de economie proberen bij te sturen.

Bij inflatie verhogen zij de rente. Lenen wordt duurder, waardoor burgers en bedrijven minder krediet opnemen en minder besteden. Dat moet de prijsstijgingen afremmen.

Maar een hogere rente verhoogt tegelijkertijd de lasten op alle bestaande schulden die opnieuw moeten worden gefinancierd of waarvan de rente kan veranderen.

Huishoudens houden minder geld over. Bedrijven stellen investeringen uit. Overheden betalen meer rente en houden minder ruimte over voor publieke voorzieningen. Financiële instellingen kunnen in problemen komen wanneer leningen niet meer worden terugbetaald.

Wordt de rente verlaagd, dan worden bestaande schulden beter betaalbaar. Maar goedkoop krediet stimuleert nieuwe leningen, verdere geldgroei en opnieuw stijgende prijzen van vastgoed en financiële bezittingen.

De rente moet dus omlaag om de opgebouwde schulden betaalbaar te houden, maar omhoog om nieuwe kredietgroei en geldontwaarding af te remmen.

Welke kant de centrale bank ook op beweegt, zij vergroot een ander probleem. Het regelmechanisme is onderdeel geworden van de storing die het zou moeten verhelpen.

De risico’s worden door de samenleving gedragen

Commerciële banken verdienen geld met kredietverlening, maar hun banktegoeden vormen tegelijkertijd het betaalgeld van de samenleving.

Daardoor blijft een probleem bij een bank niet vanzelf beperkt tot de bank, haar aandeelhouders en haar geldverstrekkers. Een grote bank kan zoveel betalingen, spaartegoeden en leningen beheren dat haar ondergang de hele economie bedreigt.

Daarom bestaan er depositogarantie, streng toezicht, kapitaaleisen, noodleningen, reddingsoperaties en bijzondere regels voor banken die in moeilijkheden komen.

De winsten uit kredietverlening zijn privaat, maar een belangrijk deel van de risico’s wordt uiteindelijk door de samenleving opgevangen.

Banken krijgen daarmee een bijzondere positie. Zij zijn commerciële ondernemingen, maar de samenleving kan het zich nauwelijks veroorloven om grote banken gewoon failliet te laten gaan.

Zolang ons geld en het risico van commerciële kredietverlening met elkaar verweven blijven, behoudt de financiële sector deze machtspositie.

Een stelsel dat groei nodig heeft om overeind te blijven

Een economie kan groeien doordat mensen slimmer werken, nieuwe technieken ontwikkelen of betere producten maken. Dat is iets anders dan groei die nodig is om een financieel stelsel overeind te houden.

In het huidige stelsel zijn geldgroei, schuldgroei en economische groei met elkaar verbonden. Nieuwe schuld brengt nieuw geld in omloop. Dat nieuwe geld helpt bestaande verplichtingen, waaronder rente, betaalbaar te houden.

Daardoor wordt stilstand gevaarlijk. Als de economie niet verder groeit, worden schulden zwaarder ten opzichte van inkomens en productie. Faillissementen nemen toe en banken worden terughoudender met nieuwe kredietverlening.

Het stelsel functioneert het gemakkelijkst wanneer inkomens, productie, bezittingen, geld en schulden allemaal blijven groeien.

Maar op een eindige aarde kan niet alles onbeperkt blijven groeien. En ook zonder natuurlijke grenzen zou een samenleving vrij moeten kunnen kiezen voor rust, duurzaamheid of kortere werktijden zonder daarmee haar geldstelsel in gevaar te brengen.

Het probleem zit in de verbinding tussen geld en krediet

Banken, krediet en rente zijn op zichzelf niet het fundamentele probleem. Krediet kan nuttig zijn en rente kan een vergoeding vormen voor het beschikbaar stellen van geld en het dragen van risico.

Het werkelijke probleem is dat commerciële kredietverlening tegelijkertijd ons maatschappelijke geld creëert.

Daardoor leidt kredietgroei tot geldgroei, beïnvloeden commerciële belangen waar nieuw geld terechtkomt en kunnen risico’s uit de financiële sector overslaan op de hele samenleving.

Zolang geldschepping en kredietverlening aan elkaar verbonden blijven, blijven ook de belangrijkste problemen van het huidige geldstelsel bestaan:

  • In goede tijden verstrekken banken steeds meer krediet en brengen zij daarmee steeds meer geld in omloop.
  • In slechte tijden wordt er minder geleend en minder geld geschapen, waardoor de economische neergang wordt versterkt.
  • De opbrengsten van kredietverlening komen bij de banken terecht, terwijl de samenleving uiteindelijk de risico’s draagt wanneer banken in moeilijkheden komen.
  • Het stelsel beweegt voortdurend tussen te veel krediet in goede tijden en te weinig krediet in slechte tijden. Daardoor is het van nature instabiel.

Om deze kringloop te doorbreken, moet geldschepping worden losgekoppeld van kredietverlening.

Hoe dat kan, wordt besproken onder de knop ‘Het kan ook anders’.

← Terug naar de vier onderwerpen
03

BeterGeld

Het kan ook anders

Publiek geld en kredietverlening worden van elkaar gescheiden.

Geld hoeft geen schuld te zijn

In het huidige geldstelsel ontstaat giraal geld wanneer een commerciële bank een lening verstrekt. Geld en schuld worden daardoor tegelijkertijd geboren.

Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het is geen natuurwet. Een samenleving kan er ook voor kiezen om geld en krediet van elkaar los te maken.

Geld kan rechtstreeks door een publieke instelling worden uitgegeven, zonder dat daar eerst iemand een schuld voor hoeft aan te gaan.

Krediet blijft dan gewoon bestaan. Alleen ontstaat bij het verstrekken van een lening geen nieuw geld meer.

De kern van BeterGeld is daarom eenvoudig:

Geld is een publieke voorziening. Kredietverlening is een financiële activiteit waarbij de verstrekker zelf het risico draagt.

Een publieke Monetaire Autoriteit

In het nieuwe stelsel krijgt uitsluitend een publieke Monetaire Autoriteit de bevoegdheid om nieuw geld te creëren of geld uit omloop te nemen.

Deze Monetaire Autoriteit bepaalt niet waaraan het geld wordt besteed. Zij bepaalt alleen hoeveel geld er nodig is om de waarde van het geld zo stabiel mogelijk te houden.

Daarbij kijkt zij naar de hoeveelheid goederen en diensten die de samenleving kan voortbrengen en naar de hoeveelheid geld die al in omloop is.

Groeit de productie en is er behoefte aan meer geld, dan kan de Monetaire Autoriteit nieuw geld beschikbaar stellen.

Is er te veel geld in omloop ten opzichte van wat de samenleving kan leveren, dan moet er ook geld uit omloop kunnen worden genomen.

De Monetaire Autoriteit bewaakt rechtstreeks de hoeveelheid geld die in omloop is. Zij probeert de geldhoeveelheid niet indirect te beïnvloeden via een centraal vastgestelde rente. De Monetaire Autoriteit bepaalt hoeveel geld kan worden toegevoegd of uit omloop moet worden genomen. De democratie bepaalt waaraan het nieuwe geld wordt besteed.

Nieuw geld komt zonder schuld in omloop

Het nieuwe geld wordt niet als lening in omloop gebracht, maar zonder schuld beschikbaar gesteld aan de samenleving.

De overheid kan dit geld vervolgens via de democratisch vastgestelde begroting besteden.

Het kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor zorg, onderwijs, woningbouw, energievoorziening, infrastructuur of andere zaken die de samenleving belangrijk vindt.

Via lonen, opdrachten aan bedrijven en betalingen aan leveranciers komt het nieuwe geld vanzelf in de economie terecht.

Tegenover dit nieuwe geld staat geen schuld aan een commerciële bank en hoeft geen rente te worden betaald.

Daardoor hoeft de samenleving niet steeds meer schulden aan te gaan om over voldoende geld te kunnen beschikken.

De democratie krijgt de zeggenschap terug

In het huidige stelsel bepalen commerciële banken door hun kredietverlening waar nieuw geld als eerste terechtkomt.

Zij baseren hun beslissingen vooral op rendement, onderpand en de kans dat een lening wordt terugbetaald.

In het nieuwe stelsel wordt de hoeveelheid nieuw geld door een publieke Monetaire Autoriteit vastgesteld. De gekozen volksvertegenwoordiging bepaalt vervolgens via de begroting waaraan dit geld wordt besteed.

Daardoor bepalen niet langer de commerciële belangen van banken, maar democratische keuzes waar nieuw geld als eerste voor wordt gebruikt.

Artikel 106 van de Grondwet bepaalt dat de wet het geldstelsel regelt. Door de geldschepping onder publieke en democratische zeggenschap te brengen, krijgt dat grondwetsartikel daadwerkelijk inhoud.

Geld veilig bewaren

Iedere burger en ieder bedrijf krijgt toegang tot een publieke betaal- en bewaarrekening.

Het geld op deze rekening mag niet worden uitgeleend, belegd of gebruikt voor commerciële activiteiten. De publieke instelling bewaart en administreert het geld en verzorgt het betalingsverkeer.

Het tegoed is daardoor niet langer een vordering op een commerciële bank, maar het geld zelf.

Gaat een commerciële bank failliet, dan blijft het publieke geld op de betaalrekening gewoon bestaan.

Mensen kunnen hun geld dus veilig bewaren en gebruiken zonder gedwongen te worden de risico’s van een commerciële bank te dragen.

Banken blijven bestaan

Banken blijven een belangrijke rol spelen. Zij kunnen leningen verstrekken aan huishoudens, ondernemers en andere organisaties.

Het belangrijke verschil is dat banken bij het verstrekken van een lening geen nieuw geld meer mogen creëren.

Zij kunnen alleen geld uitlenen dat bestaande geldbezitters vrijwillig voor dat doel aan hen beschikbaar hebben gesteld.

Wie zijn geld alleen veilig wil bewaren, houdt het op een publieke rekening. Wie rente wil ontvangen, kan ervoor kiezen zijn geld voor een bepaalde periode aan een bank beschikbaar te stellen.

Tegenover de mogelijkheid op rendement staat dan ook werkelijk een risico. Wie voor dat rendement kiest, draagt zelf de gevolgen wanneer een kredietbank verliezen lijdt.

Rente wordt dus niet verboden. Zij wordt weer een vergoeding voor het werkelijk beschikbaar stellen van bestaand geld en voor het dragen van risico.

Een bank kan weer failliet gaan

Wanneer een kredietbank verkeerde beslissingen neemt, moet zij failliet kunnen gaan zoals ieder ander commercieel bedrijf.

Dat faillissement brengt het maatschappelijke geld en het betalingsverkeer niet meer in gevaar. Het publieke geld van burgers en bedrijven staat immers buiten de kredietbank.

Het faillissement verandert niets aan de hoeveelheid publiek geld die in omloop is. Er volgt geen afzonderlijke faillissementsafwikkeling waarbij de leningen van rechtswege worden overgenomen of aan een andere partij worden verkocht. De leningnemer krijgt daardoor niet zonder zijn instemming plotseling een andere contractspartij.

Wanneer de kredietbank ophoudt te bestaan, vervallen ook haar vorderingen op de leningnemers. Aandeelhouders en mensen die vrijwillig geld aan de bank beschikbaar hebben gesteld om rendement te behalen, kunnen hun inleg verliezen. Zij hebben bewust een commercieel risico genomen en dragen daarvan ook de gevolgen.

De financiële sector kan zelf een privaat garantiefonds of een keurmerk opzetten om geldgevers geheel of gedeeltelijk tegen zulke verliezen te beschermen. De voorwaarden en financiering daarvan zijn een verantwoordelijkheid van de sector zelf. De overheid, de Monetaire Autoriteit en houders van publieke betaalrekeningen staan daar niet voor garant.

Wanneer bij het faillissement sprake blijkt te zijn van fraude, samenspanning of andere strafbare feiten, kan via het strafrecht worden onderzocht of schade op de verantwoordelijke personen kan worden verhaald. Een leningnemer die te goeder trouw heeft gehandeld, wordt niet alsnog door een nieuwe schuldeiser aangesproken.

De gevolgen van verkeerde kredietverlening blijven daarmee bij de financiële sector en worden niet langer automatisch op de hele samenleving afgewenteld.

Banken ontvangen de opbrengsten van hun activiteiten, maar dragen voortaan ook zelf de bijbehorende risico’s.

Het depositogarantiestelsel wordt overbodig

In het huidige stelsel is het geld op een betaalrekening juridisch een vordering op een commerciële bank. Daarom moet de overheid een deel van dat geld garanderen wanneer een bank failliet gaat.

In het nieuwe stelsel kan iedereen zijn dagelijkse geld veilig op een publieke rekening bewaren.

Wie geld aan een kredietbank beschikbaar stelt om rente te ontvangen, kiest bewust voor een investering met een risico.

Er is dan geen reden meer om dit vrijwillig genomen risico door de samenleving te laten garanderen.

Het depositogarantiestelsel voor commerciële banken kan daarom worden afgebouwd. Het geld op publieke betaalrekeningen wordt door de samenleving gegarandeerd. Omdat dit geld niet wordt uitgeleend, belegd of aan andere commerciële risico’s wordt blootgesteld, hoeft die garantie geen verliezen uit kredietverlening op te vangen. Zij beschermt uitsluitend tegen systeemtechnische risico’s, zoals fraude, hackers, fouten in de administratie of een ernstige systeemstoring.

Ook de overheid mag het geld op publieke betaalrekeningen niet lenen, beleggen, opeisen of voor haar eigen uitgaven gebruiken. Het geld blijft uitsluitend eigendom van de rekeninghouder. Dit beginsel moet in de Grondwet worden vastgelegd. Bestuurders of medewerkers die zich toch wederrechtelijk toegang tot deze tegoeden verschaffen, maken zich schuldig aan een ernstig misdrijf en moeten daarvoor zwaar kunnen worden bestraft. Alleen op grond van een individuele wettelijke verplichting of een rechterlijke uitspraak, bijvoorbeeld bij belastinginning of beslag, mag geld van een rekeninghouder worden afgeschreven. Het publieke geld als geheel mag nooit als financieringsbron voor de overheid worden gebruikt.

Een publieke betaalrekening mag nooit worden geblokkeerd omdat iemand kritiek uit op de overheid, politieke opvattingen verkondigt of deelneemt aan een vreedzaam protest. Dit verbod moet eveneens in de Grondwet worden vastgelegd en geldt voor zowel de overheid als de rechterlijke macht. Een blokkade mag uitsluitend plaatsvinden bij een concrete verdenking van een ernstig strafbaar feit en moet noodzakelijk, evenredig, tijdelijk en controleerbaar zijn. De rekeninghouder moet onmiddellijk worden geïnformeerd, toegang houden tot geld voor noodzakelijke levensbehoeften en snel beroep kunnen instellen bij een onafhankelijke rechter. Politieke kritiek mag nooit een reden zijn om iemand de toegang tot zijn eigen geld te ontnemen.

De economie hoeft niet steeds meer schulden te maken

Omdat geld niet langer door kredietverlening ontstaat, leidt minder lenen niet automatisch tot minder geld in de samenleving.

Mensen en bedrijven kunnen hun schulden aflossen zonder dat daardoor de totale geldhoeveelheid hoeft te krimpen.

De samenleving hoeft dan niet voortdurend nieuwe schulden aan te gaan om de bestaande schulden en rentelasten betaalbaar te houden.

Ook de opwaartse druk op prijzen, belastingen en kosten van levensonderhoud door een steeds groeiende rentelast wordt kleiner.

Krediet kan weer worden gebruikt waarvoor het bedoeld is: het financieren van plannen en investeringen waarvoor tijdelijk extra geld nodig is.

De hoeveelheid geld wordt niet langer bepaald door de bereidheid van banken om krediet te verstrekken of door de bereidheid van mensen om zich in de schulden te steken.

Economische groei wordt een keuze

In het huidige stelsel helpt voortdurende groei om een steeds grotere hoeveelheid schulden en rentelasten betaalbaar te houden.

Wanneer geldschepping en kredietverlening worden losgekoppeld, hoeft de economie niet voortdurend te groeien om het geldstelsel overeind te houden.

Groei blijft mogelijk wanneer zij leidt tot meer welvaart, betere producten of nuttige vernieuwing. Maar groei is niet langer een noodzakelijke voorwaarde voor een stabiele geldhoeveelheid.

Hogere productiviteit kan daardoor ook worden gebruikt voor kortere werktijden, duurzamere productie of een betere kwaliteit van leven.

Niet de behoefte van het geldstelsel, maar de behoeften van mens en samenleving kunnen dan weer centraal staan.

De overgang naar BeterGeld

Een verandering van het geldstelsel kan niet van de ene op de andere dag plaatsvinden. De overgang moet zorgvuldig, geleidelijk en controleerbaar worden uitgevoerd.

Op een vastgesteld moment kunnen de bestaande tegoeden op gewone betaalrekeningen één op één worden omgezet in publiek geld.

Bestaande leningen en de afspraken over rente en aflossing blijven geldig. Alleen bij nieuwe leningen mogen banken geen nieuw geld meer creëren.

Als tijdens de overgang blijkt dat tijdelijk onvoldoende bestaand geld beschikbaar is voor noodzakelijke kredietverlening, mag de Monetaire Autoriteit een beperkte hoeveelheid geld aan kredietbanken beschikbaar stellen. Dit gebeurt uitsluitend gedurende een vooraf wettelijk vastgestelde overgangsperiode en moet terughoudend, transparant en controleerbaar zijn. Banken moeten dit geld terugbetalen, waarna de Monetaire Autoriteit het weer uit omloop neemt. Na afloop van de overgangsperiode vervalt deze mogelijkheid definitief.

Wanneer de terugbetaling van het tijdelijke geld te veel geld aan de samenleving onttrekt, kan de Monetaire Autoriteit dit corrigeren. Zij stelt dan een passende hoeveelheid nieuw geld zonder schuld of rentelast beschikbaar aan de overheid. Via democratisch vastgestelde overheidsuitgaven komt dit geld opnieuw in omloop. De Monetaire Autoriteit bewaakt daarbij uitsluitend hoeveel geld moet terugkeren; de democratie bepaalt waaraan het wordt besteed.

Vanaf het einde van de overgangsperiode kunnen kredietbanken uitsluitend geld uitlenen dat spaarders en investeerders werkelijk en vrijwillig aan hen beschikbaar stellen.

Tegelijkertijd moeten duidelijke regels voorkomen dat de politiek onbeperkt geld laat maken. De Monetaire Autoriteit moet onafhankelijk werken, haar berekeningen openbaar maken en democratisch worden gecontroleerd.

De overgang vraagt dus om voorzichtigheid en goede wetgeving. Maar technisch en organisatorisch is zij mogelijk.

Een duidelijke scheiding

BeterGeld brengt een duidelijke scheiding aan tussen twee zaken die nu met elkaar zijn verweven:

  • Geld wordt een publieke voorziening waarmee iedereen veilig kan betalen en sparen.
  • Kredietverlening blijft een commerciële activiteit waarbij winst en risico bij de financiële sector liggen.

Daardoor kan een bank failliet gaan zonder dat het geld van de samenleving verdwijnt. Minder krediet veroorzaakt niet automatisch geldschaarste en voor nieuw geld hoeft niemand eerst een schuld aan te gaan.

Het geldstelsel komt opnieuw onder publieke en democratische zeggenschap te staan.

BeterGeld belooft niet dat daarmee alle economische problemen verdwijnen. Schaarste, verkeerde investeringen en politieke fouten blijven mogelijk. Wel worden de risico’s van commerciële kredietverlening losgemaakt van ons geld en van het functioneren van de samenleving.

Welke problemen hiermee worden opgelost en welke nieuwe risico’s bij een publiek geldstelsel kunnen ontstaan, wordt besproken onder de knop ‘Waarom BeterGeld meer welvaart brengt’.

← Terug naar de vier onderwerpen
04

BeterGeld

Waarom BeterGeld meer welvaart brengt

Wat een ander geldstelsel voor de samenleving kan betekenen.

Welvaart is meer dan economische groei

Welvaart gaat niet alleen over de hoeveelheid geld die wordt verdiend of over de groei van het bruto binnenlands product.

Werkelijke welvaart gaat over wat mensen met hun inkomen kunnen doen, hoeveel zekerheid zij hebben en of belangrijke zaken zoals wonen, voedsel, energie, zorg en onderwijs betaalbaar zijn.

Ook vrije tijd, een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en het ontbreken van problematische schulden dragen bij aan welvaart.

Een geldstelsel moet daarom niet worden beoordeeld op hoeveel geld, krediet en financiële handel het voortbrengt, maar op de bijdrage die het levert aan het welzijn van de samenleving.

Minder geld verdwijnt in rentelasten

In het huidige stelsel moet over vrijwel al het geld dat als krediet is ontstaan rente worden betaald. Die rentelasten worden verwerkt in de prijzen van producten en diensten.

Ook de overheid betaalt rente. Dat geld moet via belastingen worden opgebracht en kan niet meer aan zorg, onderwijs, infrastructuur of andere publieke voorzieningen worden besteed.

Binnen BeterGeld kan nieuw geld zonder schuld en zonder rentelast in omloop worden gebracht. De samenleving hoeft daardoor niet voortdurend nieuwe schulden aan te gaan om over voldoende geld te beschikken.

Rente verdwijnt niet. Wie geld leent, betaalt nog steeds een vergoeding aan degene die dat geld vrijwillig beschikbaar stelt en het bijbehorende risico draagt. Maar er hoeft geen rente meer te worden betaald over geld dat uitsluitend is gecreëerd om de economie van betaalmiddelen te voorzien.

Daardoor kan een kleiner deel van het inkomen naar de financiële sector vloeien en blijft een groter deel beschikbaar voor huishoudens, bedrijven en publieke voorzieningen.

Lagere kosten van levensonderhoud

Ondernemers moeten de rente over hun leningen terugverdienen. Daarom berekenen zij deze rentelasten door in de prijzen van hun producten en diensten.

Huishoudens betalen rente over hypotheken en andere leningen. Daarnaast betalen zij via hogere prijzen mee aan de rentelasten van alle bedrijven in de productieketen.

Ook hogere rentelasten van de overheid komen uiteindelijk bij burgers terecht, via hogere belastingen of minder publieke voorzieningen.

Wanneer de totale schuldenlast minder snel hoeft te groeien, neemt ook de druk van de rente op prijzen, inkomens en belastingen af.

BeterGeld kan daardoor bijdragen aan lagere kosten van levensonderhoud en een grotere koopkracht, zonder dat daarvoor steeds hogere lonen en uitkeringen nodig zijn.

Nieuw geld komt ten goede aan de samenleving

Nu komt nieuw geld als eerste terecht bij degene die kredietwaardig genoeg is om een lening van een bank te krijgen.

Daardoor wordt veel nieuw geld gebruikt voor de aankoop van bestaande woningen, grond, aandelen en andere bezittingen. Dat drijft vooral de prijzen daarvan op.

Binnen BeterGeld bepaalt de Monetaire Autoriteit hoeveel nieuw geld verantwoord in omloop kan worden gebracht. De democratie bepaalt vervolgens waaraan dit geld wordt besteed.

Nieuw geld kan daardoor worden gebruikt voor voorzieningen die de hele samenleving ten goede komen, zoals woningbouw, zorg, onderwijs, energie, openbaar vervoer en infrastructuur.

De maatschappelijke opbrengst van geldschepping komt dan niet langer in de eerste plaats bij commerciële banken terecht, maar bij de samenleving die het geld gebruikt en er waarde aan geeft.

Werk en productie worden belangrijker dan bezit

In het huidige stelsel kunnen mensen die al veel geld en bezittingen hebben gemakkelijk nieuw krediet krijgen. Daarmee kunnen zij nog meer bezittingen kopen en profiteren van stijgende prijzen.

Wie nog geen woning, aandelen of ander vermogen bezit, moet juist steeds meer lenen om die bezittingen te kunnen verwerven.

Hierdoor kan bezit sneller worden beloond dan arbeid. Wie al vermogen heeft, ziet dat vermogen groeien, terwijl mensen die van hun werk moeten leven een steeds groter deel van hun inkomen aan wonen, rente en belastingen kwijt zijn.

Wanneer geldschepping niet langer de prijzen van bestaande bezittingen opdrijft, wordt dit zichzelf versterkende voordeel kleiner.

Inkomen uit nuttige arbeid en productie krijgt dan weer meer betekenis ten opzichte van inkomen dat uitsluitend voortkomt uit het bezit van geld en financiële aanspraken.

Woningen worden weer bedoeld om in te wonen

Banken verstrekken grote hoeveelheden nieuw krediet voor de aankoop van bestaande woningen. Dat vergroot het aantal woningen niet, maar vergroot wel de hoeveelheid geld waarmee op dezelfde woningen wordt geboden.

Daardoor stijgen de huizenprijzen en moeten volgende kopers nog hogere hypotheken afsluiten. Die nieuwe hypotheken brengen opnieuw geld in omloop en drijven de prijzen verder op.

Binnen BeterGeld kan een bank alleen bestaand geld uitlenen. De hoeveelheid geld groeit daardoor niet automatisch mee met iedere hypotheek.

Dat neemt een belangrijke oorzaak van voortdurend stijgende woningprijzen weg. De prijs van een woning kan dan weer sterker worden bepaald door de werkelijke vraag, de bouwkosten, de ligging en het beschikbare aanbod.

Woningen blijven waardevol, maar worden minder geschikt als middel om met steeds grotere schulden steeds grotere vermogenswinsten te behalen.

Minder economische schokken

In goede tijden zijn banken en leningnemers optimistisch. Er wordt veel krediet verstrekt, waardoor veel nieuw geld in omloop komt en prijzen snel kunnen stijgen.

In slechte tijden gebeurt het tegenovergestelde. Banken worden voorzichtiger, mensen willen minder lenen en de geldgroei valt stil. De bestaande schulden en rentelasten blijven echter bestaan en worden relatief zwaarder.

Zo versterkt het huidige geldstelsel zowel de opgang als de neergang van de economie.

BeterGeld maakt de hoeveelheid geld minder afhankelijk van het vertrouwen van banken en leningnemers. Minder krediet hoeft dan niet automatisch te leiden tot een tekort aan geld en een relatieve verzwaring van de rentelast op bestaande schulden.

Economische tegenvallers en verkeerde investeringen blijven mogelijk, maar zij hoeven niet meer uit te groeien tot een geldcrisis die de hele samenleving raakt.

Banken gaan weer ten dienste staan van de economie

Banken blijven binnen BeterGeld nuttig. Zij beoordelen plannen, brengen geldverstrekkers en leningnemers bij elkaar en bewaken of leningen waarschijnlijk kunnen worden terugbetaald.

Zij verdienen geld door die werkzaamheden goed uit te voeren, niet doordat zij zelf nieuw geld mogen creëren.

Omdat banken alleen bestaand geld kunnen uitlenen, moeten zij zorgvuldiger afwegen welke investeringen met het beschikbare geld worden gefinancierd.

Krediet kan daardoor meer worden gericht op ondernemingen, innovatie en productie, in plaats van op het steeds opnieuw verhandelen van bestaande bezittingen tegen hogere prijzen.

Maakt een bank verkeerde keuzes, dan dragen de bank, haar aandeelhouders en haar vrijwillige geldverstrekkers de verliezen. De publieke geldvoorraad en het betalingsverkeer blijven buiten schot.

Een samenleving met minder angst voor bankproblemen

Mensen hoeven niet langer bang te zijn dat hun dagelijkse geld verdwijnt wanneer een commerciële bank in moeilijkheden komt.

Het geld op een publieke betaalrekening wordt niet uitgeleend of belegd en staat niet bloot aan commerciële risico’s.

Een kredietbank kan daardoor failliet gaan zonder dat winkels, salarissen, uitkeringen en het betalingsverkeer stilvallen.

De overheid hoeft een bank niet meer te redden om het geld van burgers en bedrijven te beschermen.

Dat vermindert de macht van grote banken. Zij kunnen niet langer alle opbrengsten voor zichzelf houden en bij grote verliezen een beroep doen op de samenleving.

Groei wordt een mogelijkheid in plaats van een verplichting

Het huidige stelsel heeft steeds nieuwe leningen en geldgroei nodig om de bestaande schulden en rentelasten betaalbaar te houden.

Daardoor ontstaat voortdurend druk om meer te produceren, meer te consumeren en meer natuurlijke hulpbronnen te gebruiken.

Binnen BeterGeld kan de geldhoeveelheid op peil blijven zonder dat huishoudens, bedrijven en overheden daarvoor steeds nieuwe schulden hoeven aan te gaan.

Economische groei blijft mogelijk en kan wenselijk zijn wanneer zij werkelijk meer welvaart oplevert.

Maar als technologische vooruitgang het mogelijk maakt om met minder arbeid dezelfde hoeveelheid nuttige goederen en diensten te produceren, kan de samenleving ook kiezen voor kortere werktijden, duurzamere productie of meer vrije tijd.

De economie hoeft dan niet langer te groeien om het geldstelsel in stand te houden. Het geldstelsel staat ten dienste van de samenleving, in plaats van andersom.

BeterGeld maakt niet alles gratis

Het creëren van publiek geld maakt mensen, grondstoffen, energie en machines niet vanzelf beschikbaar.

Als de samenleving meer wil besteden dan zij kan voortbrengen, stijgen de prijzen. Dat geldt ook binnen BeterGeld.

De Monetaire Autoriteit mag daarom alleen nieuw geld toestaan wanneer daar voldoende mensen, kennis, grondstoffen en productiecapaciteit tegenover staan.

De werkelijke grens aan onze welvaart is niet het aantal cijfers op bankrekeningen, maar wat de samenleving met de beschikbare mensen, kennis en middelen kan of wil voortbrengen en waaraan zij die mogelijkheden democratisch wil besteden.

BeterGeld maakt dus niet alles mogelijk. Het voorkomt wel dat plannen die maatschappelijk uitvoerbaar en wenselijk zijn uitsluitend worden tegengehouden omdat er niet eerst voldoende nieuwe schuld wordt gemaakt.

Ook BeterGeld kent risico’s

Geen enkel geldstelsel werkt vanzelf goed. Ook een publiek geldstelsel kan worden misbruikt of verkeerd worden bestuurd.

Politici kunnen druk uitoefenen om te veel geld te laten creëren. De Monetaire Autoriteit kan de economie verkeerd inschatten. Een te grote geldhoeveelheid kan tot prijsstijgingen leiden en een te kleine geldhoeveelheid kan de economie onnodig afremmen.

Wanneer banken geen geld meer kunnen creëren, kan tijdens de overgang tijdelijk te weinig bestaand geld beschikbaar zijn voor kredietverlening. In dat geval mag de Monetaire Autoriteit voor een vooraf vastgestelde overgangsperiode een beperkte hoeveelheid geld aan kredietbanken beschikbaar stellen. Dit moet terughoudend, transparant en uitsluitend ter voorkoming van ernstige kredietschaarste gebeuren. Het beschikbaar gestelde geld moet worden terugbetaald en daarna weer uit omloop worden genomen. Na afloop van de wettelijk vastgelegde overgangsperiode stopt deze mogelijkheid definitief en mogen banken alleen nog geld uitlenen dat vrijwillig door geldverstrekkers beschikbaar is gesteld.

Een centrale publieke betaalinfrastructuur kan bovendien een aantrekkelijk doelwit zijn voor hackers, sabotage of machtsmisbruik.

Deze risico’s zijn werkelijk en mogen niet worden weggemoffeld. Het verschil is dat zij zichtbaar kunnen worden gemaakt en met duidelijke regels kunnen worden begrensd.

Bescherming tegen machtsmisbruik

De Monetaire Autoriteit moet onafhankelijk van de dagelijkse politiek kunnen bepalen hoeveel geld verantwoord is.

Haar berekeningen, besluiten en gebruikte gegevens moeten openbaar en controleerbaar zijn. Bestuurders worden voor vaste perioden benoemd en moeten verantwoording afleggen aan het parlement en aan onafhankelijke toezichthouders.

De politiek mag de Monetaire Autoriteit niet dwingen om extra geld te creëren. Omgekeerd mag de Monetaire Autoriteit niet bepalen waaraan het beschikbare geld wordt besteed.

De overheid mag het geld op publieke rekeningen niet gebruiken voor haar eigen uitgaven. Dat verbod moet in de Grondwet worden vastgelegd en overtreding ervan moet zwaar strafbaar zijn.

Ook mag niemand de toegang tot zijn geld verliezen vanwege kritiek op de overheid, politieke opvattingen of deelname aan een vreedzaam protest.

De publieke betaalinfrastructuur moet technisch worden verdeeld over meerdere, onafhankelijk beveiligde systemen. Regelmatige controles, noodvoorzieningen en herstelmogelijkheden moeten voorkomen dat één storing of aanval het betalingsverkeer kan stilleggen.

Een eerlijkere verdeling van opbrengst en risico

BeterGeld belooft geen samenleving zonder schulden, rente, faillissementen of economische tegenslagen.

Het brengt wel een eerlijkere scheiding aan. De opbrengst van publieke geldschepping komt bij de samenleving terecht. De opbrengsten én de risico’s van commerciële kredietverlening blijven bij de financiële sector.

Mensen kunnen hun geld veilig bewaren zonder het verplicht aan commerciële risico’s bloot te stellen. Wie rendement wil behalen, kan daarvoor kiezen en aanvaardt het bijbehorende risico.

Banken kunnen winst blijven maken wanneer zij nuttige financiële diensten leveren en verstandige leningen verstrekken. Zij kunnen niet langer winst maken met geldschepping terwijl de samenleving de gevolgen van hun risico’s draagt.

Daardoor vloeit minder geld weg naar een financiële sector die steeds verder groeit en blijft meer geld beschikbaar voor werk, productie en voorzieningen die rechtstreeks aan onze welvaart bijdragen.

Van meer geld naar beter geld

De kracht van BeterGeld zit niet in het onbeperkt creëren van geld. De kracht zit in een andere verdeling van zeggenschap, opbrengsten en risico’s.

Geld wordt een veilige publieke voorziening. Krediet wordt een vrijwillige overeenkomst tussen partijen die de opbrengsten en risico’s daarvan zelf dragen.

De geldhoeveelheid wordt rechtstreeks bewaakt en hoeft niet meer indirect te worden gestuurd met rente en steeds nieuwe schulden.

Daardoor kunnen prijzen stabieler worden, rentelasten afnemen, banken minder macht krijgen en publieke voorzieningen beter worden bekostigd.

BeterGeld maakt de samenleving niet in één keer rijk. Het voorkomt wel dat een steeds groter deel van onze welvaart nodig is om het geldstelsel zelf overeind te houden.

Het doel is daarom niet méér geld, maar geld dat beter werkt voor iedereen.

← Terug naar de vier onderwerpen